1966 – Erik de Vries en Gerard Hulshof

Winnaar
Zilveren Nipkowschijf 1961 - 1999

Voor de eerste keer werd de Zilveren Reissmicrofoon, de radioprijs uitgereikt. Die eer viel Gerard Hulshof van de KRO-radio ten deel. Bij de Zilveren Nipkowschijf verviel kennelijk de noodzaak om twee prijzen (voor iemand van op het scherm en voor iemand achter het scherm) uit te reiken. Van nu af geldt er slechts één jaarlijkse prijs. En die gaat dit jaar naar televisiepionier Erik de Vries.

Erik Klaas de Vries (Amsterdam, 5 juni 1912 – 20 april 2004) was een Nederlands televisiepionier. Hij wordt beschouwd als de vader van de Nederlandse televisie. Na de oorlog keerde hij weer terug naar Philips. Tussen 1948 en 1951 leidde De Vries 264 experimentele televisieuitzendingen van Philips, en in 1951 begon hij met het opleiden van televisieregisseurs. Op 2 oktober 1951 regisseerde hij de eerste openbare televisieuitzending in Nederland, voor 500 bezitters van een televisietoestel. In 1953 werd hij door de omroepverenigingen min of meer afgedankt. Hij verzorgde weer experimentele uitzendingen voor Philips, en reisde een jaar voor UNESCO door Zuid-Amerika. Tussen 1957 en 1959 was hij regisseur van de televisieserie Pension Hommeles, daarnaast regisseerde hij het programma Mies-en-scène.

De Vries beschouwde televisie als “de directe overbrenging van een reportage van een werkelijkheid”, en geloofde heilig dat televisie de volkeren dichter bij elkaar zou brengen. Hij was begin jaren zestig een van de oprichters van de stichting Teleac, die hij beschouwde als een educatieve televisie-cineac. Later stond hij aan de wieg van de Amsterdamse lokale omroep SALTO.

Voor het ontwikkelen van televisie in Nederland ontving De Vries in 1966 de Zilveren Nipkowschijf.

Eerste Reissmicrofoon

De motivatie van de jury om aan deze mannen de prijzen toe te kennen is niet bewaard gebleven. Wel is er het uitvoerige dankwoord van Gerard Hulshof, die toen al wees op verdergaande samenwerking:

Dankwoord Gerard Hulshof

Dames en heren?luisteraars,

De jonge Hamlet verbaast zich nog steeds – tot in stereofonische hoorspelversies van zijn eigen drama – over de vrolijkheid van de doodgraver. Heeft die kerel geen hart voor zijn vak? Roept hij uit. Hij zingt terwijl hij een graf graaft?!

Het zal uw gezelschap misschien verbazen – ik kan mij dat levendig voorstellen, dat ik juist deze doodgraver heb uitgekozen als de werkman, waaraan ik mij vanmiddag wil spiegelen, waarmee ik me zelfs wil identificeren. Ik heb dar uiteraard een aantal gegronde redenen voor.

Als deze blijde broek namelijk tot een collega roept: Kom schoppie, er is geen ouwere adel dan tuinlieden, doodgravers en grafmakers, dan denk ik daarbij onwillekeurig aan mijn, ook door u opgedolven vooropleiding in Wageningen (tuinlieden), in dienst (doodgravers) en tenslotte in Hilversum: grafmakers.

Want als uw jury de vijftiger De Vries bekroont, die aan de wieg stond van de televisie, dan is voor mij als twen, nozem of KROvo, afhankelijk van de krant waar u voor werkt, dan is voor mij de verleiding groot om een lijkrede te houden aan het graf van de radio.

Maar de voornaamste reden voor deze identificatie is, dacht ik, dat de man niet huilt, zoals sommige van mijn collega’s nog wel eens willen doen, maar integendeel, uit volle borst zingt, daar aan de groeve.

Maar goed, zand erover, want we staan, dacht ik, tegelijkertijd aan de wieg van een nieuwe radio. Uw prijs is er een symptoom van. En het is duizend keer belangrijker dat u hem toekent, dan toevallig aan mij.

De radio begint weer opnieuw. Onder invloed van een groot aantal buitengebeurens – akkoord – maar ook door bezinning van binnenuit. Een citaat uit het Amerikaanse Journal of Broadcasting, jaargang 1964, nummer 4: Radio was niet zozeer ziek van televisie, maar het leed aan het misverstand over haar specifieke taak.

Die taak is duidelijk. Radio is voor alles een dienstverlenend medium, ter informatie, ontwikkeling en ontspanning van zijn klanten, met gebruikmaking van zijn eigen pluspunten, die de basis moeten zijn van elke programmering: enerzijds snelheid, wendbaarheid, directheid, anderzijds keuzemogelijkheid en continuïteit.

Want dat zijn toch wel de pluspunten. Radio kan erbij zijn, bijna overal en altijd – de verbindingen liggen er, en ú kunt bij die radio zijn, bijna overal en altijd, met uw transistortje. U kunt erbij liggen, sterker nog: Mies Bouwman in Studio Groningen kan Maastrichtenaren in hun bed laten omdraaien. En desnoods terug.

Nu is het vervelende van praten over de veranderde functionaliteit van de radio, dat je eigenlijk alleen maar kunt napraten. Het buitenland is ons bijna overal voor geweest. Vandaar dat ik mij ertoe wil bepalen enkele uitgangspunten bij de programmering van het derde net KRO te toetsen aan uitspraken en ervaringen van anderen.

Van Frank Gillard bijvoorbeeld, hoofd van de radiodiensten van de BBC: Ook een licht programma moet veel nieuws bevatten. Radio is een journalistiek medium en nieuws is een integraal deel van elk programma, welk karakter het ook heeft.

Zegt het Veronica-rapport van de Stichting voor de Statistiek: Nieuws wordt hoog gewaardeerd. Tijdens het ANP-bulletin wordt veel overgeschakeld naar Hilversum. (U merkt, het rapport is alweer verouderd, het ANP luistert nu naar Veronica. Ook van vanwege het nieuws).

Een licht programma moet ‘entertaining’ zijn, zegt Gillard, maar dat sluit gesproken woord niet uit. Ook een goed gesprek is onderhoudend, of amusant. Ik heb eens nagerekend, één vijfde van het KRO-aandeel op het derde net bestaat uit gesproken woord. En het programma Koffie met Kees wint het in gepraat, in luisterdichtheid, én in waardering.

Professor Eberhard, leider van het instituut voor journalistiek aan de Vrije Universiteit van Berlijn heeft een aantal gouden regels opgesteld: over de volgorde van programma’s, over de betekenis van de muziek in programma’s, en de belangrijkste, over het schema: Twee van de drie luisteraars zoeken niet naar een programma, ze drukken gewoon op de knop. Ze ontwikkelen daarbij een programmageheugen. Een vast schema is een belangrijk middel voor succesvolle programmering.

Vertaald in Hilversum 3: het KRO-schema op maandag en woensdag is identiek, en u weet niet half hoe blij we zijn dat ook de VARA nu actualiteiten uitzendt na de nieuwsberichten.

Tenslotte, over vrije meningsuiting en onafhankelijkheid: daarover zijn we het in dit gezelschap wél eens. Als afwijkend meningen worden verkondigd, dan moet ook de tegenstander de kans krijgen zijn visie te geven. Dat is heel in het kort ook de vuistregel waarvan de Amerikaanse Federal Communication Commission zich bedient. Maar, zegt voorzitter William Henry, een radioman mag daar zijn eigen mening aan toevoegen. Natuurlijk mag hij opiniëren. En Gillard, van de onafhankelijke BBC-radio: We hebben allang het idee opgegeven dat in elk programma alle gezichtspunten vertegenwoordigd moeten zijn. Wordt er hier een eenzijdig standpunt ingenomen, dan zal elders in het programma daar een antwoord op zijn. Ons totaalbeeld, dat moet evenwicht vertonen.

Dat geldt ook voor de lichte zender Hilversum 3. Natuurlijk, in de eerste plaats is er muziek, doorgaans onschuldig, al springt de sneeuwwitte boezem van Johnny Hoes er eerder uit dan Sien van Toon. Muziek dus, die zich bij uitsteken voor radio leent, want je kunt ‘m niet zien, en verder een part gesproken woord. De combinatie van die twee, herkenbaar, ritmisch en met een personal touch, vormen een licht programma.

Ons land was er wel rijp voor. Veronica, Hilversum 3 en enkele commerciële stations claimen nu overdag 57 % van het totale luisterpubliek. Tussen twee en vier uur ’s middags zelfs bijna 70 %.

Ondanks bijvoorbeeld de beperkte ontvangstmogelijkheid van Veronica en de aversie van een minderheid tegen de reclame op die zender.

Ondanks het feit ook dat Hilversum 3 pas om negen uur begint en om zes uur ’s avonds – al dan niet op een zwakke middengolf – met zes piepjes eindigt.

Want de markt vraagt meer – veel meer. Het engelse light programm loopt van half zes in de ochtend tot twee uur ’s nachts. In Duitsland haalde in 1963 het programma Gut Aufgelegt op het vroege uur tussen zes en zeven 23 %, bijna net zoveel als ’s middags het topuur tussen twaalf en één.

En ook hier behoort op die tijd minstens een half miljoen luisteraars tot de mogelijkheden. Maar de KRO moet op Hilversum 3 om twee minuten over negen op psychologische gronden een actualiteitenrubriek laten vallen, ondanks de duidelijke journalistieke eis.

En dan is er de onzekere toekomst, de belabberde financiële situatie, de onmogelijkheid om een zeker personeelsbeleid te voeren, het moet u allen bekend zijn. Vandaag, 2 mei, zouden we voor het eerst sinds vier weken weer normaal zijn gaan draaien als u toevallig niet die radioprijs had uitgevonden.

En dan de technische beperkingen, die je dwingen alles uit de installatie te halen wat er in zit. En d’r zit wat in. Tijdseinen onder het nieuws, bandjes op verkeerde snelheid. Als ook de samenstellers niet van tijd tot tijd een black-out kregen, zou je er bijna boos om worden.

En tenslotte: ondanks een enorm gebrek aan coördinatie van het programma-aanbod op de zender zelf, komt er voor Hilversum 3 een gemiddelde van 30 procent, en voor de lichte zenders samen soms 70 procent van het totale luisterpubliek uit de bus.

Het wordt dus wel tijd dat het publiek zo langzamerhand een duidelijke keuze moet kunnen gaan maken, tussen markante mogelijkheden. Niemand is gebaat met een programma als bijvoorbeeld vanavond, wanneer op Hilversum 1 en Hilversum 2 tussen half elf en twaalf uur niet minder dan elk zes programma’s worden uitgezonden. Dat is geen kiezen of delen meer, kiezen ís deeltjes.

Gelukkig is er al sprake van enige natuurlijke aanpassing op wat zo langzamerhand de traditionele zenders is gaan heten. De VPRO kondigde in oktober al aan, zuinig te zijn met lichte muziek, de VARA gaat het deze zomer doen. Maar dit blijven incidenten, die pas zin krijgen in een veel groter verband. Want de ontwikkeling, gestart door Veronica als extern correctief – zoals de socioloog dat noemt – en overgenomen door Hilversum 3 – dus door de omroepverenigingen zelf, naar een grotere keuzemogelijkheid voor de luisteraar – deze repressieve coördinatie is pas in zijn beginfase. Maar gelukkig degene die het initiatief heeft, want zijn voorsprong is bijna niet meer ongedaan te maken. De Djinnformule bijvoorbeeld is nu een begrip, ook voor de deskundige samenstellers van ZO 135.

Zonder me uit te spreken over het systeem waarin die keuzemogelijkheid moet worden vervat, geloof ik, dat we op zeer korte termijn moeten komen tot:

1. een positieve coördinatie van het aanbod op de drie zenders onderling;

2. een coördinatie van het aanbod op één zender, afhankelijk van de vermoedelijke luistersituatie van het publiek waarop die zender gericht is.
Pas dan kan de radio haar specifiek sterke punten goed gaan uitspelen en optreden volgens haar eigen taak als voorlichtend en ontspannend communicatiemiddel. Pas dan kunnen programma’s gemaakt worden vanuit een klimaat, en niet, zoals nu, samen dat klimaat vormen.

Pas dan is er ook een kans dat ik ’s morgens nou eens niet hoef wakkeer te worden met die ellendige lichte muziek.

Voorlopig kan ik echter rustig blijven slapen.

Want eerst wacht er nog een open bestel, gelukkig, anders komt de kust nooit meer vrij, maar het wordt zo langzamerhand een beetje onoverzichtelijk, nog een paar raden erbij en de filmkeuring zou zeggen: ontraden.

Maar laten we de situatie vooral niet onderschatten. Ons derde net is hoop ook een bewijs van de stelling dat een geslaagde bijdrage aan de NRU nieuwe stijl minstens zo belangrijk is voor de goodwill van een omroepvereniging als haar eigen programma’s.

Want mocht de NRU nieuwe stijl mislukken, dat wil zeggen, mocht niet op korte termijn, na heroriëntatie op functionaliteit, en na concentratie op de pluspunten, een positief gecoördineerd en financieel gezond programma ontstaan, dan zijn de schuldigen van straks nu al bekend. Wat helaas ook hier ontbreekt is een zeker discussieklimaat.

Interviews, zelfs met radio- en tv-journalisten – die overigens nauwelijks kunnen verhullen dat ze meer weten van horen zeggen, dan van horen uitzenden, die interviews zijn, met de traditionele uitzondering, bijna altijd een kwestie van éénrichtingsverkeer. En bij persconferenties van omroepverenigingen zijn er eigenlijk maar twee brandende vragen: Wie presenteert de quiz, en wat is het cadeautje.

De discussie van programmamensen onderling worden – om verschillende redenen – uitsluitend gevoerd vanuit het eigen straatje, want anders ga je het hoekje om?

Proefschriften over radio – kent u ze? Voorzover ik kan nagaan zijn het er drie: over radio en volksontwikkeling, over de radiogemeente en over de omroep en zijn publiek. De laatste zou interessant kunnen zijn, hij handelt echter over de periode tot 1940. Een markant jaartal, dat wel ( En van drs. H. de Groot moeten we ook maar afwachten of er iets spiritueels uit de bus komt?).

En dan zijn vorig jaar door de KRO-reporters Wijsen en De Zwaan drie klankbeelden gemaakt over radio als communicatiemiddel – met ervaringen uit Amerika, Engeland, Frankrijk en Duitsland, en uit Nederland filosofietjes en ethische beschouwingen. Want ervaringen hebben we hier niet zo veel.

Uit die gesprekken bleek ook, hoe het ons aan scholing schort. In Engeland bijvoorbeeld begint een reporter als freelance medewerker bij een regionale omroep. Bevalt hij, dan komt hij in vaste dienst. Valt hij daar op, dan is er een kans dat hij naar Londen mag.

En als Philips in zijn laboratoria voor functionele muziek probeert om in eenvoudige formules de samenstelling van een muziekprogramma vast te leggen en te waarderen, dan zit daar gewoon ergens een leervak in. Maar als er al sprake is van een zekere onwil om met Philips te gaan praten, want in Hilversum wonen tenslotte de échte programmasamenstellers – dan zijn we nog niet veel verder dan de kleuterklas.

Natuurlijk, institutionalisering gaat een beetje te ver. In dat geval stond ik hier niet eens. Maar alleen maar een dirigentencursus is weinig. En het is juist daarom zo belangrijk, omdat naast de cijfers, de brieven en recensies, in de eerste plaats de vakbekwaamheid van de radioman de samenstelling en kwaliteit van programma’s bepaalt.

O ja, het leervak geschiedenis moet er natuurlijk ook komen, anders weet er helemaal niemand wie Reiss was.

Ik heb nog kunnen achterhalen dat zijn microfoon één nadeel had: te veel ruis, en één voordeel: geen resonantie. Echt dus een microfoon om naar te kijken. Maar ik ben blij dat ik vandaag bij wijze van uitzondering toch een ruisvrije spreekbuis heb om mijn dankbaarheid wat weerklank te geven.

Allereerst natuurlijk jegens mijn medewerkers – in het kleine team, zoals hier aanwezig, zonder aap, want die wordt nog steeds niet serieus genomen, maar ook in groter verband, en dan met name de reportage-afdeling, die vanaf het begin de noodzaak van een actueel derde net heeft ingezien, en dus ook dit gebeuren verslaat. Van uur tot uur. Twee over vijf.

Dan natuurlijk de KRO, die nietsvermoedend, ons de vrije hand heeft gelaten om vanuit één visie, en niet vanuit een verzameling programma’s, het derde net op te bouwen. Dan socioloog drs. Wim Huygen, die ons heeft geleerd, wanneer de moeders hun koffie op, en de bejaarden hun slaap uit hebben.

En tenslotte de stichting der kritiek voor haar Reissmicrofoon. Ik wil nogmaals beklemtonen dat ik de instelling alleen al een gelukkig symptoom vind van de signalering van een nieuwe radio.

En ik wil er graag bij aantekenen, dat ik hem uitsluitend zie als een aanmoediging, en in geen geval als een bekroning. Wel gaan we rustig door met uitzenden. Steeds onder het motto: de micro is van zilver, het toestel is van goud… Nou ja, rustig, zo af en toe hoop ik toch nog wel eens op een prijs van de Nederlandse reisvereniging.

De Nipkowschijf-uitreiking wordt mogelijk gemaakt door onze sponsors