> Zomergasten

ZomergastenLaten we het maar eens volmondig toegeven: ook wij, zuurpruimen van het gilde der televisiecritici, hebben er gretig aan meegedaan. Het jaarlijks zomerritueel van mopperen en modder gooien naar de Zomergasten van dat seizoen. Een nationale folklore die onze volksaard tekent en die met de komst van Twitter alleen maar meer aan de oppervlakte is gekomen.

De gast heeft niets te vertellen. De presentator deugt voor geen meter. Te gesloten. Te gretig. Te onervaren. Teveel met zichzelf bezig. Te ijdel. Te bescheiden. En trouwens: die publiciteitsmolen waarmee De Presentator en, weken later, De Gasten werden onthuld, het ene jaar uitbesteed aan deze krant, het andere jaar aan dat tv-programma. O, wat hebben we genoten van onze eigen ergernis. Geen dankbaarder tussenstop in die lange, verzengende route van de zomer-tv dan bij het bekendste pispaaltje van Nederland: Zomergasten.

Toen de Nipkowjury enkele weken geleden bijeen kwam voor de eerste ronde, diende zich zoals elk jaar de vraag aan of iets of iemand in aanmerking zou komen voor een Ere Nipkowschijf. Het hoeft niet, er is niet elk jaar een overduidelijke kandidaat te vinden, en de regels schrijven voor dat een Ereschijf alleen wordt toegekend wanneer de jury unaniem kan spreken van een belachelijk groot succes.

Een Ere Nipkowschijf is niet bedoeld als gouden horloge. Maar het besef dat Zomergasten zijn 25’ste jaar was ingegaan, deed de jury toch achter de oren krabben. Elk jaar was er wel wat te mopperen waardoor het programma niet in de prijzen viel: de verschillende afleveringen waren te ongelijksoortig om te bekronen. Maar moesten wij zo langzaamaan niet eens beamen dat het een schande is dat het meest besproken zomerprogramma door ons nooit is bekroond? Weet het programma niet al 25 jaar lang elke zomer de gemoederen wekenlang bezig te houden? En hebben we in al die jaren, ondanks het gemopper, niet ook zeldzaam genoten van de colleges, de soms spannende ontmoetingen, de ontroerende fragmenten?

Afgelopen jaar beleefde Zomergasten bovendien een wel uiterst gelukkige editie. Alles klopte, zelfs de grootste zuurpruimen onder ons moesten grif bekennen dat Wilfried de Jong toch wel heel dicht in de buurt kwam van de gedroomde presentator – een raadsel waarom zijn naam nooit eerder was opgedoken. Theaterregisseur Johan Simons, Wouter Bos, ontwerper Daan Roosegaarde, hoogleraar Beatrice de Graaf, cabaretier Hans Teeuwen en schrijfster Nelleke Noordervliet bleken gasten met wie De Jong zichtbaar iets had, waardoor een ideale chemie ontstond.
De afgelopen 25 jaar hebben geleerd dat Zomergasten een spannend ballet is tussen de presentator en de gast. De twee zijn afhankelijk van elkaar, in een spel van geven en nemen – ze tillen elkaar op, draaien pirouettes, en alleen als het goed gaat, halen zij vlekkeloos de eindstreep en laten het publiek in vervoering achter.

Waarbij overigens geldt dat de krachttoer niet alleen bij de presentator ligt: het vergt minstens evenveel talent om Zomergast te zijn, om geïnterviewd te worden. Het veronderstelt een verhaal, een betoog soms, een manier van waarnemen die de kijker nieuwe ogen geeft. En dat onder het zwaard van Damocles, dat hoog boven het programma hangt. Zomergasten is een slangenkuil waarin slachtoffers alleen maar ten prooi konden vallen aan hun eigen ijdelheid of ambitie. Al in de tweede minuut hangt de Twitterguillotine vervaarlijk te bungelen.

Een bescheiden onderzoekje in de archieven leert iets merkwaardigs: in de eerste jaren van het bestaan hebben kranten nauwelijks over Zomergasten geschreven. Een van de eerste stukken die we tegenkwamen, komt uit het Algemeen Dagblad van 6 juni 1992. Ellen de Bruin – voor zover bekend nooit lid geweest van deze jury – schreef toen: ‘Zomergasten met Peter van Ingen. De komende weken zal elke zondagavond een bekende Nederlander in een diepgaand meningvormend interview door deze mislukte Van Dis-imitatie worden opgescheept met quasi-psychologische onzinconclusies over zijn eigen leven. Waarschijnlijk zullen we na afloop van elk programma veel wijzer zijn over de betreffende gast. En ongetwijfeld zullen we dan ook weer veel te veel hebben geleerd over de persoon Van Ingen.’

Datzelfde jaar prees de criticus van NRC Handelsblad al wel de ‘prachtige formule’ van Zomergasten. Maar opnieuw moest de presentator het ontgelden: ‘Als Peter van Ingen er iets minder quasi-ontspannen bij zou zitten, en iets feller en met meer kennis van zaken, dus overtuigingskracht van zich af zou bijten, dan zouden die arrogant lijkende, ‘ik-begrijp-u-wel’-stiltes ook niet meer hoeven te vallen.’ Dat was toen. De laatste jaren won juist weer de opvatting terrein dat Van Ingen juist één van de betere presentatoren was, maar ooit mocht je dat eigenlijk niet zeggen.

Misschien dat deze voorbeelden ondanks hun toonzetting toch illustreren hoe onontkoombaar  Zomergasten vanaf het begin al was. Nu al 25 jaar weet het programma elk seizoen opnieuw het gesprek van de dag te zijn, al ver vóór de eerste uitzending.

In die jaren zagen we een boeiende reeks colleges, zelfportretten, ontmoetingen en interviews van en met lang niet altijd even voor de hand liggende gasten – én presentatoren. Om soms wel heel uiteenlopende redenen waren die uitzendingen elk uniek in hun soort. Soms onthullend, meeslepend of ontroerend, soms ronduit ongemakkelijk. Maar bijna altijd spraakmakend, of het nu om een politieke anti-islamfilmpje van Ayaan Hirsi Ali ging, om de door hoofdpijn gevelde Jolande Withuis of om het roken van Hans Teeuwen.

Bovenal geldt: drie uur lang één gast aan het woord; inhoud en vorm in een perfecte symbiose, en dat 25 jaar lang – dat kan niet genoeg geprezen worden. De Nipkowjury buigt hier deemoedig het hoofd, en kent – nogmaals: unaniem en vol overtuiging – de Ere-Nipkowschijf 2014 toe aan Zomergasten.

Foto: Peter van Ingen is eindredacteur van Zomergasten. Hij presenteerde het programma in de seizoenen 1988 tot en met 1995. Foto: Wim Kluvers

Zomergasten

Share |